yvesjoris.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
De moeite waard
 
 google  Yves' blog 

 
 
 
   
 

1957. De Russen schieten een hond genaamd Laika de ruimte in. Bill Haley en Elvis Presley bederven de Amerikaanse jeugd met hun decadente muziek. In datzelfde jaar gaat in de Scala van Milaan Dialoghi delle Carmelitane in première. In 2007 doet de Franse versie de vernieuwde Antwerpse opera aan. Ik ging naar de matinee en hoorde (zag) dat het goed was.

Op het podium enkele habijten, het uniform van de karmelietessen. Deze kloosterorde, die in de eerste plaats bekend staat om haar werkijver en stilte, verbaast drie uur lang met prachtige gezangen.

Poulenc baseerde zich voor deze opera op het werk van Georges Bernanos, die in 1948 aangesproken werd om de oorspronkelijke novelle van Gertrude von Le Fort Die letzte am Schafott (1931) tot een filmscript uit te werken. De tekst was te spiritueel voor een film, maar het werk vond zijn weg naar de theaterzalen. In 1960 zouden cineast Philippe Agostini en Père Brückberger het aandurven om er een film van te maken met de titel Le Dialogue des Carmélites.



Het verhaal gaat over angst, een existentiële vrees voor de omgeving. Blanche de la Force (met een knipoog naar de auteur van het oorspronkelijke werk) besluit om zich terug te trekken in het klooster om daar beschermd te worden tegen de wrede buitenwereld van de Franse Revolutie. Ze zal echter snel beseffen dat deze levensangst waarvoor ze op de vlucht gaat, ook binnen de kloostermuren heerst. De sopraan Olga Pasichnyk slaagt er prachtig in om Blanche te laten evolueren van een angstige aristocratische dame tot een zelfbewuste vrouw die in haar geloof de kracht vindt om uiteindelijk de dood in het gezicht te kijken.

De Franse mezzosopraan Nadine Denize is voor het eerst te gast in de Vlaamse opera. Haar bij momenten brekende stem sluit prachtig aan bij haar rol als stervende priorin, Madame de Croissy. Haar personage schippert tussen haar geloof in God en de diepgewortelde vrees voor de dood. In het vierde tafereel van het eerste bedrijf klinkt deze doodsangst wrang: (…)Hoe ben ik, ellendige, er op dit moment aan toe, dat ik me om Hem zou bekommeren? Laat Hij zich eerst om mij bekommeren. (…). Of op het einde: Vraag vergiffenis …dood…bang…bang voor de dood.

Deze laatste levensmomenten in twijfel van iemand die haar hele leven in het teken van God geleefd heeft, staan in schril contrast met de houding van de novice Constance. Hendrickje van Kerckhove was in Antwerpen al eerder te horen tijdens een benefietoptreden van de Filharmonie op het Sint-Jansplein. In haar rol van Constance combineert ze haar zangtalent met een acteerprestatie waarop menig operaster jaloers mag zijn. Haar speelse houding doet bij momenten denken aan Julie Andrews in the sound of music. Voor Constance is de dood een gegeven waarmee ze op jonge leeftijd al rekening houdt.

Maar niet alleen de stemmen dragen bij tot het serene geheel. De belichting heeft een belangrijk aandeel in de sfeer van de opera. Indirect licht laat dikwijls grote schaduwen achter op de wanden, waardoor de personages 'larger than life' worden. Een subtiel beeld dat op het netvlies blijft kleven.

Deze opera put zijn kracht uit het sterke evenwicht tussen geloof en angst. Als toehoorder weet je dat het niet goed af zal lopen, maar toch ontwaar je steeds weer dat sprankeltje hoop, die levensmoed waaraan de zusters zich optrekken. Ze hadden het geloof kunnen afzweren en een gemakkelijk(er) leven leiden in het post-revolutionaire Frankrijk, maar ze kiezen ervoor om in hun geloof te volharden tot in de dood.

'Save the best for last', Dit motto indachtig heeft Poulenc een van de sterkste slotscènes in de operawereld gecreëerd. Een podium vol dreigende revolutionairen met daartussen de karmelietessen: enorm veel volk op het podium. De massa wil bloed. De kracht van een stilzwijgende groep mensen. Het doodsvonnis wordt voorgelezen. Een voor een worden de namen van de karmelietessen afgeroepen. De nonnen vatten het Salve Regina aan. Salve, Regina, Mater misericordiae, vita, dulcedo, et spes, nostra, salve. Rondom weerklinkt de grommende koorzang van het volk dat de executie aanschouwt. De Nederlandse musicoloog Elmer Schönberger omschrijft het als volgt in het programmaboekje: (…) Met ijskoude precisie heeft Poulenc het mechaniek van de ‘halsverbreding’ in partituur gezet. Ritmisch en accuraat valt zestien maal de guillotine. ‘…o dulcis Virgo Ma-‘. Maar in plaats van ‘-ria’ klinkt een vlijmscherp tsjak. Bij elke tsjak klinkt het gebed tot Maria uit één keel minder: het meest realistische diminuendo aller tijden.’ Blanche, die zich tussen de massa bevindt, voegt zich bij de zusters. Ze sterft als laatste, terwijl haar stem in het ijle verdwijnt. De meute druipt af. De bloedlust is gestild.

Lees meer...   (1 reactie)

Hier bij Starbucks leken zowel de partners als de gasten om tactische redenen te hebben afgesproken dat ze elkaar het beste met respect en waardigheid konden behandelen. Ik had nooit eerder zo’n werkomgeving meegemaakt. Ondanks het feit dat ze vele maanden en zakken geld besteedden aan het schrijven van hoogdravende mission statements brachten de Quote-500-bedrijven die ik had meegemaakt het gezwets dat ze predikten niet in de praktijk.
 
(…) ‘Vertel het maar’, vertelde ik stoïcijns. Ik wilde niet om genade smeken. Ik wist dat dat geen zin had. Ik hoopte dat Linda op zijn minst haar best had gedaan voor mij, omwille van de goede relatie. (…) ‘Wij moeten je laten gaan, Michael’. Ze sprak de woorden uit als een robot. Ik moest toegeven dat het haar niet gemakkelijk viel om het te zeggen, vooral dat gemaakte professionele ‘wij’. (p.15)

Michael gates GillMichael Gates Gill had alles mee om in het leven te slagen. Zijn vader was een bekend journalist bij The New Yorker en zelf kreeg de jonge Michael via het ‘old boys network’ de kans om aan de slag te gaan bij het grote reclamebereau JWT. Een perfect gezin, groot huis en veel geld moesten het gebrek aan vrije tijd en de lange werktijden compenseren. Tot hij plots te oud bevonden werd door het management. Van de ene dag op de andere stond de creative director op straat. Geen loon, alleen nog maar heel veel vrije tijd om achterom te kijken. De kinderen volwassen zonder ze te hebben zien opgroeien. Zijn huwelijk kabbelend op de golven der gewoonte. Als hij in de plaatselijke gym een andere vrouw ontmoet, is het hek van de dam. Als het vuur na enkele maanden gedoofd is, blijft hij achter met een pasgeboren zoon en een gebroken eerste huwelijk. Het is een verslagen man die in een hoekje van een plaatselijke Starbucks koffie zit te drinken als hem plots een baan aangeboden wordt.

Lees het vervolg op URBANMAG.

 
 
 

Lees meer...
Met Een dichter in Bagdad schetst journaliste Jo Tatchell niet alleen een mooi beeld van de Yasin-familie, maar ook van de levensomstandigheden tijdens de dictatuur van Zijne Excellentie de President de Leider God Stelde Hem Aan, bij ons bekend onder de naam Saddam Hoessein. Het nieuwjaarsvuurwerk trekt nog sporen in de nacht terwijl ik de laatste bladzijden van De dichter van Bagdad verslind. Iets meer dan een jaar geleden werd Saddam Hoessein veroordeeld tot de dood door ophanging. Na het lezen van de Yasin-familiekroniek wou ik dat ik de strop zelf had omgelegd.
2007 werd voor mij het jaar van de autobiografische roman. Niet dat ik me stortte op het werk van Tom Boonen om alles te weten over de uitgeweken Vlaamse wielergod of dat ik meer wilde vernemen over de optredens van Natalia. Neen, de mensen waarover ik las, werden tot de literatuur veroordeeld door het leed dat ze tijdens hun leven mee moesten maken. In het boek Het land van de groene geesten nam Pascal Khoo Thwe me mee naar zijn thuisland Birma waar hij door de militaire junta opgejaagd werd tot hij uiteindelijk de grens met Thailand kon oversteken om het dictatoriale regime te ontvluchten. Er is nog niet veel veranderd sinds het boek in 2003 verscheen.
In onze woonkamer hangt een luchter met Chinese tekens. Kunstenaar en uitbater van restaurant Monkey King, Philippe NG, maakt deze ooit voor ons. Zijn moeder schreef de woorden. Deze On-Chiu Cheung laat in het boek Een hart van mandarijntjes haar levensverhaal optekenen. Het vertelt over haar vlucht uit Mao’s utopische land naar Vlaanderen waar ze ons leerde genieten van de echte Chinese keuken. Een boek dat ik op een avond vastnam om diezelfde nacht uitgelezen neer te leggen. De luchter heeft sindsdien een andere betekenis gekregen. Op een van de zijden heeft ze 'jat faan vong seun' (als ik de Nederlandse transcriptie goed kan lezen) geschreven: 'één zeil, wind gunstig' of met andere woorden 'alles loopt van een leien dakje'. Ze heeft lang moeten wachten alvorens ze deze woorden kon uitspreken.
 
De rest van de recensie leest u hier
Lees meer...

Ik weet niet waarom, maar als men mij vraagt naar Japanse poëzie, dan denk ik spontaan aan haiku en senriyu. Kleine pareltjes van observatiekunst opgesloten in het keurslijf van een beperkt aantal lettergrepen. Met het themanummer Japan, het stille water wil dichter-samensteller Jan Lauwereyns bewijzen dat de Japanse poëzie veel meer in haar mars heeft.

Het nieuwe nummer van het literaire tijdschrift Revolver (http://www.revolver-literair.be/) is het resultaat van Lauwereyns’ ontmoetingen met Japanse dichters tijdens poëziefestivals in Tokyo in december 2005 en april 2007. Dit selecte clubje dichters krijgt in dit nummer gezelschap van (voor ons meer) bekende namen als Joris Iven, Tsead Bruinja en Leo Vroman. 
 
De rest van de recensie leest u op de website van POËZIERAPPORT
 

Lees meer...
Het is lang geleden dat ik een Poëzie Kort voor mijn rekening nam. Persoonlijk hou ik zo niet van die korte besprekingen, omdat ik ze van weinig respect vind getuigen voor de dichter, die vele uren achter toetsenbord of papier heeft doorgebracht. Aan de andere kant kan je als recensent wel een mooie groepering maken van poëzie met een bepaalde rode draad. Ondanks de verschillende titels en dichters heeft de selectie in deze Poëzie Kort het motto stilstaan bij meegekregen van mij. 'Niet moeilijk,' hoor ik u al zeggen, 'want is dat niet de rode draad bij de meeste poëzie?' Aan de lezer om te oordelen.

De volgorde van de recensies is van ondergeschikt belang. Ik bespreek de bundels op basis van hun grootte of, in het geval van de eerste bundel van Vera Beerten, op kleinheid.
Kantelingen is niet groter dan 17 centimeter. Een perfect formaat om mee te nemen in de achterzak en om op gepaste tijdstippen tevoorschijn te toveren. Na haar debuut Dooraderd licht in 1998 bij dezelfde uitgeverij, bleef het lang stil rond de licentiate godsdienstwetenschappen en wijsbegeerte. Ze publiceerde tussendoor nog wel in literaire magazines als Diogenes en Deus ex machina, maar het was wachten tot 2006 op een nieuwe bundel. Deze werd onderverdeeld in vijf hoofdstukken, getiteld Prelude, Kinderszenen, Stabat Mater, Kindertotenlieder, en Epiloog om de bundel af te sluiten.
In vijf beklijvende cycli slaagt ze erin om de tragiek van het menselijke bestaan in alle sereniteit te verwoorden, lees ik in het voorwoord. Beerten wisselt kinderlijk naïeve aftelrijmpjes af met ijzingwekkende verzen in Kindertotenlieder, waarin ze op sarcastische wijze met aftelrijmpjes de dood van 35 schoolkinderen beschrijft.

Op de oever, niet ver van het water,
Lag de dood in een rokje van wol.

Ze streek het en perste, trok
De beentjes tegen elkaar aan en recht.

De hemel blaatte -
Handen kwamen wanhoop tekort.

En in de aders van haar hals stolde het bloed tot kabels,
Trok het verdriet van het dorp zich vlot.

Marleen de Crée voorstellen hoeft niet meer. Deze dorpsgenote van Leonard Nolens publiceerde bij Uitgeverij P al eerder de bundels Bloedspiegel en Vita Vita, en werd voor haar werk bekroond met onder meer de Provenciale Prijs van Antwerpen voor Poëzie en de Maurice Gilliamsprijs. Haar nieuwe bundel Sibylla is een symbiose tussen haar woorden en de grafiek van Goedele Peeters. De bundel is een polyfonisch gezang waarin dichteres en grafica elkaars melodieën hebben opgenomen en uitgewerkt. Sibylla I, de basistekst, onderzoekt de taal en haar gave tot communicatie. Bij Sibylla II is er een genuanceerde verschuiving binnen de tekst waardoor de aandacht verschuift naar de ander in de tekst. Ten slotte is Sibylla III, binnen het keurslijf van het sonnet, de synthese van het geheel.

vreemd water draagt de woorden.
klanken stemmen ons niet langer aan.
adem verteert de adem als vuur
dat ons verblindt. Zag ik je dan nooit?
schitterend licht dat over ons ligt
en deze winter zal verbranden.
ik zoek naar je begin.

Met Lucienne Stassaert duiken we de velden in en komen we terecht in de bundel Het vlas komt in de blomme, een titel waarbij we verwachten dat Guido Gezelle over de schouder meeleest. Stassaert is al sinds 1964 actief in de literaire wereld en publiceerde niet alleen poëzie. Uit haar pen vloeiden ook enkele romans, toneelstukken en hoorspelen. Terwijl de titel van de bundel dat niet doet vermoeden, heeft Stassaert met deze bundel de taalgrenzen overschreden. Bernard De Coen en John Irons zorgden immers voor de vertaling van haar gedichten in respectievelijk het Frans en Engels. Om het geheel af te ronden, zorgde dochter Régine Ganzevoort voor sfeervolle zwart-witbeelden bij het werk. Hieronder het gedicht waaraan de titel ontleend is.

Het vlas komt in de blomme,
hemelsblauw in de ochtendkou.
De Mei zet het licht aan land,
wenkt al wie onkruid heeft gewied.

Vroeger, niet vandaag of morgen,
kropen er wiedsters over het veld
een mand bij de hand voor kwaad kruid.
En maar plukken, onkruid pletten
als knepen zij vlooien dood
tussen de distels.

In Franse vertaling luidt het gedicht zo:
Le lin commence à fleurir,
bleu ciel dans le froid matinal.
Le mois de mai aborde la lumière,
hélant quiconque sarcla les mauvaises herbes.

Jadis, point ce jour ni demain,
des sarcleuses fouillaient le champ
un panier à la main pour désherber,
sans cesse arrachant, broyant les mauvaises graines
comme si elles pinçaient des puces
parmi les chardons

waarbij ik me niet van de indruk kan ontdoen dat de woorden van Stassaert mooier tot hun recht komen in de taal van Molière.

Zand-Steen-Stein-Sand ten slotte is eveneens een samenwerkingsverband tussen kunstenaars en dichters. Het project is de neerslag van een maandenlange samenwerking tussen de Antwerpse grafici Veerle Rooms en Goedele Peeters en de Zwitsers Mathias Balzer en Carla Neis. De eerste twee vormden een artistieke tandem met de auteurs Willem Persoon en Johan van Cauwenberge, terwijl Leo Tuor en Heinz Salvisberg de Duitstalige en Retoromaanse poëzie voor hun rekening namen.

De waas van de woestijn

De waas van de woestijn
over zand uit het noorden
De wind in de kruinen
van zijn hoge bomen
is een overschot
achtergelaten door donderende stormen
van luchtmachtoefeningen
daverend
uit soldatengeschater
over de idee
van mogelijke vrede.

Uitgeverij P geeft heel veel poëzie uit. Gelukkig maar, zou ik zeggen in deze tijd waar literaire katernen in kranten worden wegbezuinigd om de winst van de aandeelhouders op te krikken. Deze vier bundels zullen geen potten breken en van de samenwerkingsprojecten vrees ik zelfs dat deze buiten de incrowd amper afname zullen vinden. Ik kan echter niet dadelijk de vinger op de wonde leggen, maar de poëzie is me te onpoëtisch. Wellicht dat ik verwend ben door de poëzie van Ginsberg, Pound en Enzensberger en dichter bij huis Van Ostaijen, Gils en De Conick. Daarom dat ik met de woorden van Gils wil afsluiten, waarin hij zijn visie op een goed gedicht geeft: (…) Dat het gedicht verrast, de lezer op het verkeerde been zet, lijkt me een vereiste voor alle poëzie die het zout in haar pap verdient. (…)'. Hier trof ik degelijk werk aan, maar de verrassing bleef spijtig genoeg achterwege.


Verschillende dichters - Zand-Steen-Stein-Sand
Uitgeverij P 2006; 56 blz.; € 20
ISBN 90 77757 25 2

Vera A. Beerten - Kantelingen
Uitgeverij P 2006; 64 blz.; € 12.50
ISBN 90 77757 07 4

Lucienne Stassaert - Het vlas komt in de blomme
Uitgeverij P 2006; 40 blz.; € 14
ISBN 90 77757 35 X

Marleen De Crée - Sibylla
Uitgeverij P 2006; 64 blz.; € 17
ISBN 90 77757 10 4
Lees meer...
GESCHRIFTEN DIE DE DAUWDRUPPEL VANGEN EN DE KOSMOS WEERSPIEGELEN
 
José Saramago, Octavio Paz, Günter Grass, J.M. Coetzee en Harry Martinson. Als je aan een lezer het verband tussen deze schrijvers zou vragen, zullen slechts weinigen het woord ‘Nobelprijswinnaars’ laten vallen. Harry Martinson is een onbekende eend in de literaire bijt. Nochtans won deze Zweedse auteur in 1974 de Nobelprijs. Hij moest hem wel delen met zijn landgenoot Eyvind Johnson. In 2006 vertaalde Anke van den Bremt een aantal van zijn gedichten naar het Nederlands. Uitgeverij P brengt een mooie bloemlezing van een dichter die te weinig bekend is in dit taalgebied.
Harry Martinson wordt in 1904 geboren in het stadje Jämshög in het zuiden van Zweden. Hij is de vijfde van zeven kinderen, de enige jongen tussen zes meisjes. Hij is nog geen tien jaar oud als zijn vader op zee omkomt. Zijn moeder, Betty, ziet een leven met zeven opgroeiende kinderen niet zitten en trekt er onderuit naar Portland (Amerika). Voor de kinderen Martinson breekt een harde periode van pleeggezinnen aan. De weeskinderen worden als dagloners verhuurd aan de lokale boerenbevolking om op het veld te helpen. In de romans Nässlorna blomma (Netels in bloei,1935) en Vägen ut (Uitweg, 1935), die uitgroeien tot enkele van de mooiste, maar ook hardste, jeugdschilderingen uit de Zweedse literatuur, beschrijft hij onverbloemd deze harde en vernederende levensomstandigheden. Maar de nadruk ligt in deze boeken niet op verbittering of medelijden. Het is niet alleen een boek over schuldgevoelens en angst voor de toekomst, het is ook een queeste om de wereld te doorgronden.
Om dit levenslot te ontvluchten, monstert Harry op 15-jarige leeftijd aan als stoker op de lange omvaart. Hij treedt hiermee in de voetsporen van beroemde schrijvers als Herman Melville en Joseph Conrad. Meer dan zeven jaar brengt hij aan boord door en doorkruist als stoker, dekmatroos en manusje-van-alles India en Zuid-Amerika. De neerslag van deze spannende periode verhaalt hij in zijn autobiografische romans Resor utan mål (Doelloze Reizen, 1932)en Kap Farväl (Kaap Vaarwel,1934).
In 1927 wordt hij getroffen door een longziekte die hem verplicht afscheid te nemen van de zee. Hij zwerft een tijdje rond in Stockholm en schrijft zijn eerste gedichten waarmee hij de redacties van de lokale kranten bestookt. In datzelfde jaar leert hij Helga (Moa) Johansson kennen, die naast haar werk op de boerderij ook een literaire carrière nastreeft. In 1928 trekt hij bij haar in op de boerderij te Sörmland en een jaartje later trouwen ze. Voor het eerst in zijn leven kent Martinson een beetje stabiliteit.

1929 is een belangrijk jaar voor de Zweedse literatuur. In dat jaar verschijnt de verzamelbundel Fem Unga (Vijf Jongeren). De vijf dichters die aan de bundel meewerken (Arthur Lundkvist, Erik Asklund, Joseph Kjellgren, Gustav Sandgren en Harry Martinson) hebben geen gezamenlijk programma, maar met hun poëzie luidden ze het begin in van het Zweedse modernisme. Hun poëzie wordt bekend onder de noemer vitalistisch primitivisme: vrije verzen die de lichamelijke en natuurlijke aspecten van het leven huldigen worden verweven met het geloof in de moderne vooruitgang. De dichters stonden onder de poëtische invloed van de Russische dichters Sergeï Yesenin en Vladimir Majakovski enerzijds en de Amerikaanse dichters Carl Sandburg en Edgar Lee Masters anderzijds.
In datzelfde jaar verschijnt de bundel Spökskepp (Spookschip) die sterk beïnvloed is door Rudyard Kipling's Seven Seas. Martinson’s bundel wordt gekenmerkt door precieze observaties met extra nadruk op details, zodat het lijkt dat de dichter steeds ter plekke aanwezig is in zijn werk.

Heb je een kolentramp uit een orkaan zien komen

Heb je een kolentramp uit een orkaan zien komen -
de gieken geknakt, de relingen losgerukt,
kreunend, ingedeukt, bedrogen -
en de schipper helemaal hees?
Snuivend wordt hij aangelegd bij de zonnige kade,
uitgeput zijn wonden likkend,
terwijl de stoom in de ketels kwijnt.


De bundel Nomad (Nomade, 1931) geeft een mooie samenvatting van zijn levensfilosofie. De mens is een wereldnomade, die niet mag vastroesten. Voortdurend in beweging zijn en nieuwe indrukken opdoen, is het belangrijkste in een mensenleven.

Nadien

Na de slag bij Helgoland
en na de slag bij Utshima
loste de zee de lichamen op, als drijfhout.
Behandelde ze met haar geheime zuren.
Liet albatrossen hun ogen opeten.
en voerde ze met oplossende zouten
zachtjes terug naar de zee -
naar een scheppend oerwater uit het Cambrium
tot een nieuwe poging.


Voor Martinson is de natuur een eigen wezen. Dit komt sterk tot uiting in de vele personificaties die hij in zijn werk gebruikt. De ikfiguur verdwijnt naar de achtergrond ten voordele van de gepersonifieerde natuur, zoals in het gedicht hierboven sterk tot uiting komt. Dankzij zijn vernieuwende invloed op de Zweedse taal groeit Martinson uit tot de lieveling van de literaire wereld.
Als de Sovjet-Unie in 1939 Finland binnenvalt, neemt hij dienst bij de Zweedse Vrijwilligers om de Finnen bij te staan in de strijd met de vijand. Martinson was tegen elke vorm van dictatuur en onderdrukking – zowel Nazisme als Communisme. In de roman Verklighet till döds (Realiteit tot de dood, 1940) verzoent de schrijver zich met de Zweedse levenswijze. In het boek beschrijft hij de spanning tussen het Zweedse platteland en de stad en vormt zo een aanklacht tegen de sociale en technologische ontwikkelingen.

De dichter zal pas echt erkenning krijgen met de publicatie van zijn bundel Passad (Passaat) in 1945.

Strandgeruis

Iets zwarts en hards
grijpt in het gele.
Is het een speld die een haardos bijeenhoudt?
Nee, een half opgericht anker in het zand van Listers kust.

Er omheen voetsporen.
Ze lopen naar de zee.
Windstoten splijten je gemoed
de wind van de rozenkransheide en die van de oceaan.
Voor wie verlangt is de zonsondergang in het westen
een eigen westelijke reis van de zon in de avond.

Verlangend rekt het ik
tot een slingerend lint om de aard.
Verlangen komt van lang en van lengte.
Verlangen is dat wat verlengd wordt.
Waar ben je zelf
sinds de zee met je rondzwierf?


Martinson draagt deze bundel op aan Ingrid Lindcrantz die, na zijn scheiding van Moa in 1939, zijn tweede echtgenote werd. Ze krijgen samen twee dochters. In deze bundel verschuift de kern van Martinson's nomadische bestaan. Het effectieve zwerven door de wereld wordt een innerlijk dolen in de gevoelswereld. Elk antwoord roept op haar beurt een nieuwe vraag op.
In 1949 wordt hij als eerste auteur uit de arbeidersklasse verkozen tot lid van de Zweedse Academie. Enkele jaren later krijgt hij zelfs een eredoctoraat aangeboden aan de universiteit van Göteborg.

De technische vooruitgang is een doorn in het oog van deze natuurdichter. De naweeën van Hiroshima en de dreiging van een nucleaire oorlog zetten de dichter aan tot het schrijven van het werk Aniara, waarmee hij bekendheid buiten de landsgrenzen verwerft. In dit sciencefictionepos uit 1956 beschrijft hij de noodlottige ruimtereis van 8.000 vluchtelingen aan boord van een ruimteschip. In 103 zangen vertelt hij het relaas van mensen die de onleefbare aarde ontvluchten in de hoop op een betere toekomst op Mars. Door een bijna botsing met de meteoor Hondo (toevallig of niet de naam van het eiland waarop Hiroshima ligt) wijkt het ruimteschip van haar baan af en is gedoemd tot een bestaan in het onbekende. Het gegeven van dit epos werd door de Zweedse componist Karl-Birger Blomdahl tot een opera bewerkt. Spijtig genoeg wordt er in deze bloemlezing geen verdere aandacht besteed aan het werk.

In de jaren '60 en '70 verwijt de jongere generatie hem een gebrek aan politieke betrokkenheid. De toekenning van de Nobelprijs in 1974 wakkert het debat alleen maar aan. De lokale kranten betichten de Zweedse Academie van inteelt omdat zowel Martinson en Johnson lid zijn. Het komt Martinson’s gezondheid niet ten goede. Hij geraakt in een depressie en, zwaar gedeprimeerd en verbitterd, onderneemt hij een zelfmoordpoging. Op 11 februari 1978 overlijdt hij aan zijn verwondingen in Gnesta, waar hij sinds zijn tweede huwelijk woonde.

De dichter was op zijn sterkst als hij zijn geliefde natuur voor zichzelf liet spreken. In deze liefde zag hij ook als een van de eersten het conflict met de oprukkende technologie. Daardoor heeft zijn poëzie op geen enkel moment aan actualiteitswaarde ingeboet. Mocht de dichter nog leven, kon hij een poëtische spreekbuis zijn van Al Gore.

Tot slot …

Tot slot werd zomergroen donker en oud,
maar voor de val brak het plotseling af
tegen de sparrenschors en gaf zich goud
en vlammend over aan de storm en 't graf.

Het was gedaan met de lampionnentijd.
De vlinder die ging sterven streek de zeilen.
Herfstwinden trokken dapper naar de strijd,
de branding knarsetandde bij zijn eiland.



Harry Martinson - Strandgeruis
Uitgeverij P, 2006; 96 blz.;
ISBN 90 77757 66 ; € 20,00

De bloemlezing bevat zowel de oorspronkelijke Zweedse gedichten als de Nederlandse vertaling van Anke van den Bremt.

 
Dit artikel verscheen ook in Urbanmag.
Lees meer...
Soms zijn er van die dichters bij wie je jezelf afvraagt: waarom heb ik die niet eerder gelezen? Toon Vanlaere is zo'n dichter. Uitgeverij P stuurde me De rok van de archeologe. Ik verwachtte een stoffige bundel, maar deed een aangename vondst onder het zand.

Je bent al een tijdje bezig met poëzie, maar pas in 2000 debuteerde je bij Uitgeverij P met de bundel Notaris van de kleine akker. Waarom heeft het zo lang geduurd alvorens je literaire ei gelegd was?
Ik ben al heel lang bezig met poëzie, won al een prijs toen ik 23 jaar was. Maar een bundel is toch nog iets anders. Ik was altijd bang.
In Notaris van de kleine akker schreef ik: Een uitzicht is steeds te ver gezocht. Dat vers wil ik later op mijn graf. Het is niet een vers waarmee je je leven begint. Daarom misschien heb ik echt naar die bundel moeten zoeken.

Op je website www.toonvanlaere.be lees ik: In zijn tweede bundel, De rok van de archeologe (2006), zet hij de archeologische aanpak van zijn debuut verder: de taal van het restant komt centraal te staan, waarin het banale, het intieme, het beschamende verder leeft. Archeologische aanpak? De taal van het restant? Verklaar u nader.
Ik ben inderdaad de dichter van de scherf. Ik ben ook geschiedenisleraar. Ik schrik van het weinige wat er van mensen en van hun cultuur overblijft: beentjes en scherven. Grote steden uit de oudheid weten we nu niet eens meer liggen. Stel je voor! Onze cultuur is in dat opzicht enorm voortvarend. We kennen onze kleine, fragiele kern niet meer. Gerrit Kouwenaar schreef: Mensen laten schrikken van hun eigen werkelijkheid, dat is de taak van de dichter.
In mijn poëzie kies ik ook voor de taal van het restant. Iemand toch zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat, schreef Rutger Kopland. Ik heb een aantal jaren in de vastgoedsector gewerkt. Bij de verkoop van een ouderlijke woonst heb ik vaak meegemaakt dat de – volwassen - kinderen nog een laatste keer alles aanraakten: de kachel, de schouw van vroeger, de wastafel van weleer, het raam van hun kamer… Dat trof me. In Pompeï zag ik diezelfde dualiteit, maar dan zoveel keren uitvergroot: welke intimiteit kan een materieel voorwerp absorberen? Pompeï is de degradatie van deze intimiteit. De kijker, lezer, wordt een voyeur. Voor mij is dit de kern van poëzie.

Een rok is nu niet dadelijk het kledingstuk dat ik zou associëren met archeologie. Frivool versus duf. Oud versus nieuw. Is het inderdaad een bundel van tegenstellingen?
Ik heb geen bundel geschreven over een rok. Voor mij is die rok ook geen kledingstuk. Ik verwijs naar het motto van Breyten Breytenbach uit mijn eerste bundel: '… die aarde is vasgegroei aan die Mens,/ en iedereen kry sy gat vol aarde'. Zo'n rok kan het wel zijn. Prof. Dirk De Geest schreef in een recensie over die bundel: 'Het vaak voorkomende motief van de rok beklemtoont de ervaring van grenzen, waar binnen- en buitenwereld in elkaar overgaan'. Mooi!

Je bundel bestaat uit drie delen: stadskamers, de rok van de archeologe en werksters in het museum. Als men mij naar de rode draad zou vragen, dan zou ik verwijzen naar de anonimiteit en de eenzaamheid van het menselijke bestaan. Maar wat zegt de dichter zelf?
Kent u een andere rode draad in het leven?

Wat me bij het overlopen van de inhoudstafel opvalt, is de lay-out. In het tweede deel staat Uitlekken los van de andere gedichten uit de cyclus. 'Uitlekken' staat ook in italics, waardoor het qua vormgeving bij de eerste deel hoort, terwijl het uit de cyclus De rok van de archeologe wegloopt om tegen de werksterscyclus aan te leunen. Geef je de lezer hier een bepaald leespad mee?
Dit vind ik echt een héél mooie opmerking. Het lijkt er inderdaad op dat Uitlekken uit de cyclus De rok van de archeologe lekt. Dus alweer een restant! De werksters zullen dus werk hebben. Ik vind dit goed opgemerkt, omdat de lay-out van de inhoudstafel op die manier niet alleen een praktisch, logisch deel is van de bundel, maar mee de poëtica helpt opbouwen.

Bij de bundel zit een cd. Steeds meer dichters gaan de multimediale toer op. Poëzie moet leven en niet langer statisch op papier blijven. In hoeverre moet poëzie actief zijn?
De bundel verliest stilaan zijn dominante positie. Internet is - voor een stuk - de toekomst. Voor mij mogen beide! Erwin Taets heeft de realisatie op zich genomen om met mijn poëzie op de cd-rom tastbare poëzie te maken, uniek in ons Nederlandstalige taalgebied.
Er is dus nu sprake van interactief lezen. Zoals de archeologe in haar werk laag voor laag dieper afdaalt in het verleden dat in de aarde besloten ligt, kan de lezer via de cd-rom laag voor laag opgraven op een manier die vroeger onmogelijk was. Je kunt die digitale poëzie uitgommen, erop klikken, erover glijden, die verzen of beelden doen bewegen, ze verplaatsen, betasten, schrappen, ontkleden… - dat wordt op mijn website even geïllustreerd. Vooral omdat mijn poëzie zo textiel is, denk ik dat deze multimediale aanpak zo interessant is. Wat doe je als je in een stoffenwinkel komt? Toch over al die stoffen wrijven…

Op je website wordt verwezen naar het interactieve multimediale project dat je met Erwin Taets opstartte. Ik zie een wiegend gedicht dat uitnodigt tot klikken, waardoor versregels verdwijnen in hyperspace tot alleen ontkleed overblijft. Ik moest dadelijk aan Paul van Ostaijen denken: ik wil naakt zijn en opnieuw beginnen uit De feesten van angst en pijn. Ook Van Ostaijen speelde met taal, grammatica en syntaxis. In hoeverre is de dichter Toon Vanlaere beïnvloed door andere dichters?
Natuurlijk ben ik beïnvloed. Vooral door dat eerste versje in de kleuterklas. Later vooral door Gerrit Kouwenaar. Dat vind ik een monumentale dichter die met zijn Totaal witte kamer een van de mooiste bundels schreef uit onze Nederlandse literatuur. Kouwenaar is iemand die op een ongelooflijke manier naakt wil zijn. Poëzie is altijd naakt zijn en opnieuw beginnen. Want je moet de taal opnieuw uitvinden. Op een wit blad.

Het gedicht 'De zwemmer een handdoek aanreiken' begint met een alledaagse vaststelling, om bij de tweede versregel dadelijk in het metafysische te duiken.

De zwemmer een handdoek aanreiken.

De werkelijkheid even voor zijn
zien hoe dun huid is.

Je laten aanzuigen door naderend onheil,

als de zwemmer zijn sok aantrekt,
omgevallen glas een wesp lokt,
zij tot skelet wordt geplet

met een vingerknip.

Als lezer heb ik het gevoel dat je – het oude schrijversmotto 'schrijven is schrappen' indachtig - de taal wel echt wil uitpuren. Geen schrik dat op een zeker moment de lezer de draad kwijtraakt? Of is het juist een aanklacht van de dichter tegen de dictatuur van het triviale van de huidige maatschappij?
Wat is triviaal? Ik hou van het beschamende, het banale. Een schrijver of kunstenaar werkt met archetypisch materiaal. Dat moet hij of zij niet gaan verkleuteren. Ik schrijf geen hapklare poëzie. Het gedicht dat u hierbij citeert heeft als kernbegrippen: dunne huid, skelet, vingerknip. De lezer wil ik echt niet onderschatten. Op de voorstelling van de bundel zei Yves T' Sjoen: 'Een gedicht laat zich schrijven, en de lezer schrijft terug. Ieder moet het op een eigen wijze weer tot leven wekken'. Dat vind ik een prachtige visie.

Vrouwen poetsen het ontbrokene
tot glans.

Snoer schittert zich een hals

Wijl uit hun zakken
hangt te scheuren
het gevondene gebonden
met een taal van leuren

praten zij aaneen
hetgeen hun nek
omsluit.

Heb je geen schrik dat je hermetische gedichten de lezer afschrikken? Ik stel me voor hoe je gedicht klinkt op een lezing. Na afloop zou ik genoten hebben en applaudisseren, maar vraag me niet om het dadelijk te verklaren. Taal boven inhoud?
Als ik schrijf, ben ik echt niet bezig met de reacties van de luisteraars na een lezing. De mooiste reactie is: 'Je hebt me ontroerd'.
Een vers kan een raadsel even vasthouden. Grote poëzie gaat over universele raadsels. Als je verzen ontraadselt, dan verdwijnt de poëzie. Poëzie beleven is samen raden.

Toveren met taal - Initiatie in de poëzie is ook een boek van jouw hand waarin jongeren op speelse wijze kennismaken met gedichten. Welke gedichten raad je jongeren aan om te lezen?
Ik zou hen willen meenemen naar de gedichten op de cd-rom van mijn nieuwe bundel. Om ermee te experimenteren. Dat zij er 'hun ding mee doen'. Poëzie is toch altijd een spel. Dat zou ik hen laten ontdekken. Het mysterie waarmee poëzie te veel beladen is, moet er voor een stuk af.
Op workshops laat ik jongeren zien hoe poëzie een manier van ontregelen is. Als je in taal (kleine) verschuivingen doet, je doet woorden even trillen, even gloeien, dan ervaar je kleine schokjes, rillingen over je rug. Dat is poëzie.

En ten slotte: welke dichters bewonder je en welke vraag zou je haar of hem dan willen stellen?
Ik geloof niet in dé vraag. Ik zou bijvoorbeeld wel eens aardappelen willen schillen in de keuken van Eva Gerlach, die ik bewonder om de puurheid waarmee zij met taal omspringt. Ja, als zij de vaat doet en ik mag puree maken, of omgekeerd, dat lijkt me wel iets. Ik hou van samen met iemand heel kleine dingen doen, ook een kop koffie drinken en zien waarheen het gesprek ons leidt: over kinderen, over (onvervulde) verlangens, over een nieuwe bundel, over een lievelingsgerecht. Ja, daar hou ik van.
Aan wie ik dan wel een grotere vraag wil stellen - maar het kan helaas niet meer - aan Francis Bacon, over artistiek bezig zijn, over wat kunst is. Maar het mag ook samen zwijgen zijn, terwijl hij bezig is met schilderen. Ja, ik zou hem bezig willen zien. Dat is het allermooiste.

Toon Vanlaere - De rok van de archeologe
Uitgeverij P 2007; 48 blz.;
ISBN 90-77757-09-0
Lees meer...
Joris Denoo - Oblomov in Handzame
Interview met een Rus in West-Vlaanderen
 
Als een dichter een bundel uitgeeft, getiteld Oblomov in Handzame, dan wil ik weten hoe hij op zo'n titel komt. Op een druilerige zaterdagmiddag mailde ik enkele vragen naar Joris Denoo - de man steekt Pessoa naar de kroon met zijn pseudoniemen - en een uurtje later staken de antwoorden al in mijn mailbox. Denoo en Oblomov, ze hebben in ieder geval weinig gemeen.

Hoe komt een dichter terecht bij een titel als Oblomov in Handzame? Oblomov, de vleesgeworden inertie, en Handzame, een gehucht in West-Vlaanderen, zijn volgens mij niet representatief voor de poëzie die daarachter schuilgaat.
Dat is het 'm net: het is een stadse (steedse) bundel met veel onrust. Het platte land met de hoge bomen als traliewerk en de inertie van 'O' vormen de basis voor onrustige reizen in het hoofd, in diverse gedaantes en tijd en ruimte: startrekker, biedermeier, reiziger, soldaat… Daarenboven lees ik levenslang de Russen - in het Nederlands en in het Frans. Ik hou vreselijk veel van hun zwarte ziel en hun literatuur. Handzame, waar ik jarenlang met herfstvakantie ging - plat land met hoge waaiende bomen - is mijn oude streek uit de middeleeuwen van mijn jeugd én roept het woord 'langzaam' op…

Je bundel kent zeven onderverdelingen met uiteenlopende namen, zoals Schrijven naar Zweden, Biedermeier en schaakmaat. Als lezer vind ik er geen rode draad in. Moet poëzie voor jou een houvast bieden of mag zij deregulerend werken?
Het belangrijkste vind ik dat een cyclus op zich stevig ineengebreid zit. Een geheel thematische bundel hoeft niet per se. Deregulering mag best ook wel. De dichter hoeft niet het verhaaltje te vertellen van wat er zich in zijn verzen afspeelt. De werkelijkheid is zelf ook grillig.

Kamikaze

Hamazono landde pardoes in een palmboom.
Een eendagsvlieg in het struikgewas.
Een ondode in een onvliegende bom.
In een palmboom landde pardoes Hamazono.

Een goddelijk windje roerde zich even.
Hamazono, ingepalmd, zuchtte grondig.
De palmboom begon aan zijn sterven.
Even roerde zich een goddelijk windje.

Voor hem uit strekte zich een zee van tijd.
een engel des doods die niet sterven kon
bekeerde zich tot het eeuwige leven op aarde.
Een zee van tijd strekte zich voor hem uit.

Heel veel van je werk in deze bundel is reeds verschenen op andere plaatsen, zoals in de Poëziekrant, DW&B en Dighter. Heeft deze bundel dan nog wel een bestaansreden, als ik zo cru mag zijn?
Het is de kroon op het werk en de feestelijke accolade van die gesmaakte voorpublicaties & bekroninkjes. Eigenlijk zou ie al twee jaar geleden verschenen zijn, maar een en ander in de uitgeverij sleepte alsmaar aan. Bedoeling was 2005. Intussen kon ik het niet helpen dat er gedichten uit verschenen en meedongen naar een onderscheiding.

Ik kom je naam heel veel tegen in de poëtische wereld. Nooit schrik voor een burnout?
Ik heb ongeveer tien jaar stilgelegen door familiale bekommernissen omtrent mijn zoon. (Hij bezorgt mij trouwens het steeds weer opduikende thema 'Zwaartekracht', via motief Epilepsie). Pas sedert Linkerhart (bekroond & uitgegeven in 1999) ben ik er weer. Ik hoef dus geen burnout te vrezen, na een decennium noodgedwongen persoonlijke onrust, literaire inertie.

Hoe schrijft de dichter Joris Denoo? Is hij een nachtdier dat wegvlucht voor de opkomende zon, of schrijf je zodra je je ogen opent?
Hij is een schrijfbeest dat gebruik maakt van alle lege/vrije/uren van dag en nacht en weekend en zomer en winter en bij voorkeur werkt bij storm en ontij – beweging!

Zoals ik in de eerste vraag reeds aanhaalde, oogt je poëzie niet langzaam. Leestekens, associaties, tongue in cheek, woordspelingen. Als lezer moet je wel langzaam lezen of je loopt het risico om een verdoken gedachte te missen. Is dit een manier om je lezer tot rust te dwingen?
Ja, maar ik hou van snelheid. Dat is een heikel punt bij mijn manier van voorlezen en bij het lezen door de lezers: er gaat wel 'ns wat verloren van wat ik er allemaal instopte.

Astrid Lampe heeft ook een patent op de vreemde plaatsing van haar leestekens. Ook bij jou tref ik meer leestekens aan dan bij andere dichters. In welke mate is een leesteken poëtisch voor jou?
Ik zie graag leestekens (grafisch) en mis er nog een paar. Toch probeer ik komma's te beperken. Anderzijds snap ik dan weer niet waarom sommige dichters elke regel met een Hoofdletter beginnen.

Je gebruikt in je poëzie totaal onverwacht de .be-extensie. Spielerei of een bewust binnentrekken van het internet in je poëzie?
Die paar keer dat ik dit doe wens ik internet & moderne media binnen te trekken. Ben zelf heel verwoed blogger & mailer… Stukje spielerei daarbij kan niet ontkend worden, hé.be

03

En huilend als een massagraf.be
een Ginsberg in de avondzon bergaf
in de rimboe een Rimbaud
die gevaar verkoopt staat hij

Beduusd door zoveel werkelijkheid
weer nergens ergens anders
& elders is het net hetzelfde
zijn schrijven van. Stardate 00.11.

11. Haalt Torengalm & Streekkatern.
Zijn schrijnen. Het luistert slecht,
want bloemen ontsieren & schepen
zijn gehavend. Hij drinkt zich een avond.

(uit III Biedermeier)

In welke mate heeft internet de schrijver Joris Denoo beïnvloed?
Ik ben de menner van zeven blogs onder diverse aka's. Elk blog is een wereld apart, waarvan ik mijn eigen schrijver, lezer en uitgever ben. Het flitsende van het internet heeft zeker invloed op mijn taalgedrag.

Je hebt iets met stremmende melk. In je bundel komt dat beeld meerdere malen voor. Heeft het te maken met nostalgie van het platteland?
Ja, dat klopt: ik vind dit een mooi (nou) metafoortje voor platte land. Blauwachtige wintermelk, beken die stremmen door vrieskou… Vaak gezien vroeger, toen ik dacht dat de winters nog streng waren. PS: ik woonde vroeger in de streek van Handzame, nu ga ik er op vakantie in de waaiherfst; ik ben een stadsdichtertje geworden…

Wie bewonder je persoonlijk als dichter en welke vraag zou je hem of haar eens graag willen stellen?
Joke van Leeuwen (poëzie) en Virginia Woolf (proza, leven). Ik zou te verlegen zijn om ze een vraag te stellen. De enige die ik dan stiekem zou mompelen, zou luiden: 'Hoe doen jullie het toch?'.

Joris Denoo is een vaste waarde in het Nederlandstalige poëzielandschap. Getuige hiervan zijn de prijzen die hij met zijn poëzie haalt. Oblomov in Handzame bundelt deze gedichten. Een leuke manier om kennis te maken met de man en zijn poëtica.
De bundel verdiende wel een mooiere omslag.
De weblogs van Joris Denoo: Brief aan mijn zoon (Hersenstorm), Deze kant boven (Schuine teksten), Moord!, (M/V): Meester in de Vakken; De ongecomponeerde noot; Romaneske boeken, Satisfiction.

Joris Denoo - Oblomov in Handzame
Uitgeverij Poëziecentrum VZW 2007; 70 blz.;
ISBN 9789056553135
Lees meer...
Bart Stouten - Happy Christmas, Happy New York
Een late must voor onder de kerstboom
 

 Chrétien Breukers heeft spijt. De drijvende kracht achter De Contrabas schreef in zijn Dagboek van een bloemlezer 8 het volgende over Bart Stouten: 'Dat het je overkomt dat je een bundel van Bart Stouten leest – Happy Christmas, Happy New York geheten en op de markt gebracht door Uitgeverij P – en dat je dan ineens denkt: verdorie, waarom heb ik Bart Stouten over het hoofd gezien, voor 25 jaar Nederlandstalige poëzie etc.? Wat ben ik toch een lummel.'
Ik kan Chrétien begrijpen. Hier geen toestanden als met Patricia de Martelaere, die in een niet nader vernoemde literatuurgeschiedenis doodgezwegen wordt. Breukers heeft in ieder geval een poëtisch talent geroken en slaat een mea culpa omdat hij het te laat opgemerkt heeft. Nu hoop ik alleen maar dat Vlaanderen Bart Stouten ook op de poëtische kaart plaatst. Of laten we ook dit stukje cultuur op Gruuthuuse wijze door onze handen glippen?

Naar aanleiding van zijn vorige bundel De wijsheid van de wind had ik een interview met de dichter/radiopresentator. Ondertussen is er veel water door de zee gevloeid. Een gedicht van Bart Stouten sierde de poëziezomer van Watou. Binnenkort verschijnt er poëzie van zijn hand in De Poëziekrant. De dichter beklimt traag maar zeker de trappen van de Parnassus. Tijd dus om zijn nieuwe bundel Happy Christmas, Happy New York eens onder de leeslamp te houden.

38 gedichten deze keer. Wat meteen opvalt zijn de verschillende plaatsnamen die als titel figureren. Wereldsteden als Leipzig, Tokyo en Parijs passeren de revue, evenals Oostende en het voor mij onbekende Borgloon. Ditmaal geen gedichten die bladzijdenlang voortrazen. Alleen in Autocue laat de dichter zich verleiden tot meerdere pagina's, maar dan in een stijl die zo uitgepuurd, zo stilistisch sober is dat de meeste versregels slechts uit enkele woorden bestaan, zodat je als lezer inderdaad de indruk krijgt een autocue te lezen die voor je ogen voorbijraast.

Autocue

lees!
oogsiddering
help!
iemand heeft je zopas
bestolen!
al je zekerheden
de luxe
van onvoorspelbare
verzen
zurückbleiben!
uit de krochten
van je onderbewuste
uit de eeuw van gen
en quantum
en jouw slecht begrepen
biologische status
want waar
kom je vandaan
nu Allah heel even zoek is
lees!
(…)

Zo stoomt het gedicht enkele bladzijden voort. Nooit gehinderd door leestekens, tenzij door het sporadische uitroepteken, een schreeuw in het donker. Ik wil of kan hier geen recensie over schrijven. Ik wil het een (r)essentie noemen: woorden uitgepuurd tot hun loutere inhoud. Ik wil Bart Stouten niet in een dichterscategorie onderbrengen. Het is geen postmodernist, het is geen nieuw-realist. Ik wil vanaf nu de poëzie alleen nog maar opdelen in poëzie die er toe doet en poëzie die pretendeert er willen toe te doen.
Breukers heeft gelijk: de poëzie van Bart Stouten doet er toe. Hij is de observator van het kleine moment, een miniaturist van het geschreven woord. Wie wil begrijpen wat ik hiermee bedoel, raad ik aan om eens naar de Antwerpse Cogels Osylei te trekken, even stil te staan bij de gedichten van Herman de Coninck onder de spoorbrug en dan naar Café Moskou te trekken. Stouten omschrijft het zo:

Sluitingstijd in Café Moskou

Ik had een maandag uitgeblazen
Met een laatste restje jazz
Een barstende groene bolster
Waarin de liefde schuilt
Met veel te vroeg opgevouwen stoelen
Een handtas met de sensuele inhoud
Van een wereldstad die wakker wordt
Als de zon ondergaat
En oude kloosters
Verborgen in een tripel van Chimay

De ober wou naar huis, vertelde hij mij –
Ik reageerde als zijn slecht afgerichte hond
En zag op dat moment Kristien onder de brug
Met gedichten van Herman voorbijlopen

Ik wou mijn gedicht 'zonder focus' noemen
De lichtvlekken halogeen vielen weer eens
Niet waar ze wezen moesten
Maar een lijn van kaarslicht
Liep recht naar een vriend
Die ik al jaren uit het oog verloren was

En ik vertelde
Dat hij een nieuw gedicht zou worden
Morgen, op deze plek
Die nu te vroeg gesloten werd.

Ik stel me voor hoe de dichter deze verzen op een bierkaartje neerpent. Zijn zinnen in contrast met de woorden van de poëziegod De Coninck, die enkele meters verder gewoond heeft. Stouten laat Herman en Kristien (Hemmerechts) in een mooie apokoinou samenkomen: leven en dood, woord en gedachte vloeien samen. Lees het gedicht traag en hoor dan op de achtergrond het aarzelende toetsenspel van de piano, de stokkende klanken van Chet Bakers trompet die zich verenigen in het jazzy Round Midnight. Dit is poëzie die moet geleefd worden.

Een eerste erkenning vond Stouten zijn hierboven reeds vermelde aanwezigheid op de poëziezomer. Maar de dichter is bescheiden, te bescheiden in deze wereld van roepers. Hij laat zijn woorden voor zichzelf spreken, maar ze fluisteren slechts in het poëtische landschap, terwijl ze een uitbundige schreeuw verdienen. Of om het met de woorden van de dichter Marcel Van Maele te zeggen: Je hebt dichters die goed kunnen lobbyen. (…) Als iemand goed kan lobbyen én hij schrijft goede gedichten, dan is het prima. Als iemand goed kan koken en hij schrijft goede gedichten, dan is dat nog beter. Maar iemand die goed lobbyt en slechte gedichten schrijft, is verschrikkelijk. Want er is nog nooit zoveel gepubliceerd als nu. Ik weet niet of Bart Stouten goed kan koken, want anders behoort hij zeker tot de tweede categorie.

Catwalk met poes

Ik wist niet dat mijn tafel
De catwalk was van een mannequin.
Een perzische poes laveert behendig
Tussen veel te luide anecdotes
In het café waar niet langer
Gepikt wordt hoe armzalig contactloos
Wij rancuneuzen zijn geworden,
Hier en nu tussen pot en pint
In onze ogen met verwijde pupillen
En puberale dromen.

Mijn kleine meid roeit tegen de stroom op,
Zonder te dingen naar de gunst
Van het volk dat elke avond opnieuw
Haar territorium komt inpalmen.
En daar ligt ze dan, onder een streling
Van gezeefd licht op het raamkozijn,
Getooid met een brede stola
Van fonkelende geraniums,
Buiten het bereik van kleffe handen
Die haar zo nodig moeten raken
Diep in een ziel die zoek is

Tussen al mijn verongelijkte blikken
Van selectieve afgunst.


Bart Stouten - Happy Christmas, Happy New York
Uitgeverij P 2006; 56 blz.;
ISBN 90-77757-47-3
Lees meer...   (1 reactie)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl