yvesjoris.punt.nl
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
De moeite waard
 
 google  Yves' blog 

 
 
 
   
 
Toon Vanlaere -- de rok van de archeologe
Soms zijn er van die dichters bij wie je jezelf afvraagt: waarom heb ik die niet eerder gelezen? Toon Vanlaere is zo'n dichter. Uitgeverij P stuurde me De rok van de archeologe. Ik verwachtte een stoffige bundel, maar deed een aangename vondst onder het zand.

Je bent al een tijdje bezig met poëzie, maar pas in 2000 debuteerde je bij Uitgeverij P met de bundel Notaris van de kleine akker. Waarom heeft het zo lang geduurd alvorens je literaire ei gelegd was?
Ik ben al heel lang bezig met poëzie, won al een prijs toen ik 23 jaar was. Maar een bundel is toch nog iets anders. Ik was altijd bang.
In Notaris van de kleine akker schreef ik: Een uitzicht is steeds te ver gezocht. Dat vers wil ik later op mijn graf. Het is niet een vers waarmee je je leven begint. Daarom misschien heb ik echt naar die bundel moeten zoeken.

Op je website www.toonvanlaere.be lees ik: In zijn tweede bundel, De rok van de archeologe (2006), zet hij de archeologische aanpak van zijn debuut verder: de taal van het restant komt centraal te staan, waarin het banale, het intieme, het beschamende verder leeft. Archeologische aanpak? De taal van het restant? Verklaar u nader.
Ik ben inderdaad de dichter van de scherf. Ik ben ook geschiedenisleraar. Ik schrik van het weinige wat er van mensen en van hun cultuur overblijft: beentjes en scherven. Grote steden uit de oudheid weten we nu niet eens meer liggen. Stel je voor! Onze cultuur is in dat opzicht enorm voortvarend. We kennen onze kleine, fragiele kern niet meer. Gerrit Kouwenaar schreef: Mensen laten schrikken van hun eigen werkelijkheid, dat is de taak van de dichter.
In mijn poëzie kies ik ook voor de taal van het restant. Iemand toch zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat, schreef Rutger Kopland. Ik heb een aantal jaren in de vastgoedsector gewerkt. Bij de verkoop van een ouderlijke woonst heb ik vaak meegemaakt dat de – volwassen - kinderen nog een laatste keer alles aanraakten: de kachel, de schouw van vroeger, de wastafel van weleer, het raam van hun kamer… Dat trof me. In Pompeï zag ik diezelfde dualiteit, maar dan zoveel keren uitvergroot: welke intimiteit kan een materieel voorwerp absorberen? Pompeï is de degradatie van deze intimiteit. De kijker, lezer, wordt een voyeur. Voor mij is dit de kern van poëzie.

Een rok is nu niet dadelijk het kledingstuk dat ik zou associëren met archeologie. Frivool versus duf. Oud versus nieuw. Is het inderdaad een bundel van tegenstellingen?
Ik heb geen bundel geschreven over een rok. Voor mij is die rok ook geen kledingstuk. Ik verwijs naar het motto van Breyten Breytenbach uit mijn eerste bundel: '… die aarde is vasgegroei aan die Mens,/ en iedereen kry sy gat vol aarde'. Zo'n rok kan het wel zijn. Prof. Dirk De Geest schreef in een recensie over die bundel: 'Het vaak voorkomende motief van de rok beklemtoont de ervaring van grenzen, waar binnen- en buitenwereld in elkaar overgaan'. Mooi!

Je bundel bestaat uit drie delen: stadskamers, de rok van de archeologe en werksters in het museum. Als men mij naar de rode draad zou vragen, dan zou ik verwijzen naar de anonimiteit en de eenzaamheid van het menselijke bestaan. Maar wat zegt de dichter zelf?
Kent u een andere rode draad in het leven?

Wat me bij het overlopen van de inhoudstafel opvalt, is de lay-out. In het tweede deel staat Uitlekken los van de andere gedichten uit de cyclus. 'Uitlekken' staat ook in italics, waardoor het qua vormgeving bij de eerste deel hoort, terwijl het uit de cyclus De rok van de archeologe wegloopt om tegen de werksterscyclus aan te leunen. Geef je de lezer hier een bepaald leespad mee?
Dit vind ik echt een héél mooie opmerking. Het lijkt er inderdaad op dat Uitlekken uit de cyclus De rok van de archeologe lekt. Dus alweer een restant! De werksters zullen dus werk hebben. Ik vind dit goed opgemerkt, omdat de lay-out van de inhoudstafel op die manier niet alleen een praktisch, logisch deel is van de bundel, maar mee de poëtica helpt opbouwen.

Bij de bundel zit een cd. Steeds meer dichters gaan de multimediale toer op. Poëzie moet leven en niet langer statisch op papier blijven. In hoeverre moet poëzie actief zijn?
De bundel verliest stilaan zijn dominante positie. Internet is - voor een stuk - de toekomst. Voor mij mogen beide! Erwin Taets heeft de realisatie op zich genomen om met mijn poëzie op de cd-rom tastbare poëzie te maken, uniek in ons Nederlandstalige taalgebied.
Er is dus nu sprake van interactief lezen. Zoals de archeologe in haar werk laag voor laag dieper afdaalt in het verleden dat in de aarde besloten ligt, kan de lezer via de cd-rom laag voor laag opgraven op een manier die vroeger onmogelijk was. Je kunt die digitale poëzie uitgommen, erop klikken, erover glijden, die verzen of beelden doen bewegen, ze verplaatsen, betasten, schrappen, ontkleden… - dat wordt op mijn website even geïllustreerd. Vooral omdat mijn poëzie zo textiel is, denk ik dat deze multimediale aanpak zo interessant is. Wat doe je als je in een stoffenwinkel komt? Toch over al die stoffen wrijven…

Op je website wordt verwezen naar het interactieve multimediale project dat je met Erwin Taets opstartte. Ik zie een wiegend gedicht dat uitnodigt tot klikken, waardoor versregels verdwijnen in hyperspace tot alleen ontkleed overblijft. Ik moest dadelijk aan Paul van Ostaijen denken: ik wil naakt zijn en opnieuw beginnen uit De feesten van angst en pijn. Ook Van Ostaijen speelde met taal, grammatica en syntaxis. In hoeverre is de dichter Toon Vanlaere beïnvloed door andere dichters?
Natuurlijk ben ik beïnvloed. Vooral door dat eerste versje in de kleuterklas. Later vooral door Gerrit Kouwenaar. Dat vind ik een monumentale dichter die met zijn Totaal witte kamer een van de mooiste bundels schreef uit onze Nederlandse literatuur. Kouwenaar is iemand die op een ongelooflijke manier naakt wil zijn. Poëzie is altijd naakt zijn en opnieuw beginnen. Want je moet de taal opnieuw uitvinden. Op een wit blad.

Het gedicht 'De zwemmer een handdoek aanreiken' begint met een alledaagse vaststelling, om bij de tweede versregel dadelijk in het metafysische te duiken.

De zwemmer een handdoek aanreiken.

De werkelijkheid even voor zijn
zien hoe dun huid is.

Je laten aanzuigen door naderend onheil,

als de zwemmer zijn sok aantrekt,
omgevallen glas een wesp lokt,
zij tot skelet wordt geplet

met een vingerknip.

Als lezer heb ik het gevoel dat je – het oude schrijversmotto 'schrijven is schrappen' indachtig - de taal wel echt wil uitpuren. Geen schrik dat op een zeker moment de lezer de draad kwijtraakt? Of is het juist een aanklacht van de dichter tegen de dictatuur van het triviale van de huidige maatschappij?
Wat is triviaal? Ik hou van het beschamende, het banale. Een schrijver of kunstenaar werkt met archetypisch materiaal. Dat moet hij of zij niet gaan verkleuteren. Ik schrijf geen hapklare poëzie. Het gedicht dat u hierbij citeert heeft als kernbegrippen: dunne huid, skelet, vingerknip. De lezer wil ik echt niet onderschatten. Op de voorstelling van de bundel zei Yves T' Sjoen: 'Een gedicht laat zich schrijven, en de lezer schrijft terug. Ieder moet het op een eigen wijze weer tot leven wekken'. Dat vind ik een prachtige visie.

Vrouwen poetsen het ontbrokene
tot glans.

Snoer schittert zich een hals

Wijl uit hun zakken
hangt te scheuren
het gevondene gebonden
met een taal van leuren

praten zij aaneen
hetgeen hun nek
omsluit.

Heb je geen schrik dat je hermetische gedichten de lezer afschrikken? Ik stel me voor hoe je gedicht klinkt op een lezing. Na afloop zou ik genoten hebben en applaudisseren, maar vraag me niet om het dadelijk te verklaren. Taal boven inhoud?
Als ik schrijf, ben ik echt niet bezig met de reacties van de luisteraars na een lezing. De mooiste reactie is: 'Je hebt me ontroerd'.
Een vers kan een raadsel even vasthouden. Grote poëzie gaat over universele raadsels. Als je verzen ontraadselt, dan verdwijnt de poëzie. Poëzie beleven is samen raden.

Toveren met taal - Initiatie in de poëzie is ook een boek van jouw hand waarin jongeren op speelse wijze kennismaken met gedichten. Welke gedichten raad je jongeren aan om te lezen?
Ik zou hen willen meenemen naar de gedichten op de cd-rom van mijn nieuwe bundel. Om ermee te experimenteren. Dat zij er 'hun ding mee doen'. Poëzie is toch altijd een spel. Dat zou ik hen laten ontdekken. Het mysterie waarmee poëzie te veel beladen is, moet er voor een stuk af.
Op workshops laat ik jongeren zien hoe poëzie een manier van ontregelen is. Als je in taal (kleine) verschuivingen doet, je doet woorden even trillen, even gloeien, dan ervaar je kleine schokjes, rillingen over je rug. Dat is poëzie.

En ten slotte: welke dichters bewonder je en welke vraag zou je haar of hem dan willen stellen?
Ik geloof niet in dé vraag. Ik zou bijvoorbeeld wel eens aardappelen willen schillen in de keuken van Eva Gerlach, die ik bewonder om de puurheid waarmee zij met taal omspringt. Ja, als zij de vaat doet en ik mag puree maken, of omgekeerd, dat lijkt me wel iets. Ik hou van samen met iemand heel kleine dingen doen, ook een kop koffie drinken en zien waarheen het gesprek ons leidt: over kinderen, over (onvervulde) verlangens, over een nieuwe bundel, over een lievelingsgerecht. Ja, daar hou ik van.
Aan wie ik dan wel een grotere vraag wil stellen - maar het kan helaas niet meer - aan Francis Bacon, over artistiek bezig zijn, over wat kunst is. Maar het mag ook samen zwijgen zijn, terwijl hij bezig is met schilderen. Ja, ik zou hem bezig willen zien. Dat is het allermooiste.

Toon Vanlaere - De rok van de archeologe
Uitgeverij P 2007; 48 blz.;
ISBN 90-77757-09-0
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl